We vertrokken met z’n vijven, vijf Terrilhackers, vanaf de vertrouwde Teut. Het zand kraakte onder onze banden zoals het dat altijd doet, geruststellend, bijna ritueel. Dit was ons startpunt, onze thuisgrond. Nog even door het open heidelandschap, paarse resten tussen het gras, en dan koers zetten richting de mijnstreek van Genk.
Zodra we de Teut achter ons lieten, veranderde het ritme. De paden werden ruiger, minder netjes. Offroadstroken trokken zich parallel aan het vroegere kolenspoor, een lijn die nog altijd voelbaar was in het landschap. Geen rails meer, maar wel de geest ervan: lange, rechte stukken afgewisseld met onverwachte bochten, alsof het verleden zelf de route had uitgezet.
We reden naast elkaar waar het kon, achter elkaar waar het moest. Het spoor lag soms verhoogd, soms half opgeslokt door begroeiing. Oude dwarsliggers staken hier en daar nog uit de grond, verweerd en scheef, stille getuigen van een tijd waarin hier geen fietsen, maar zware treinen denderden. Nu was het aan ons. Kettingen zoemden waar ooit staal op staal gilde.
Het terrein speelde met ons. Sporen van regen maakten het verraderlijk glad. Eén van ons schoof weg in een bocht, ving zich op met een voet en lachte het weg. “Genk wil ons testen,” klonk het achterin.
Langs het oude kolenspoor voelden we de overgang naar de mijnstreek. De natuur werd rauwer, industriëler. Berken en struiken groeiden dwars door oude infrastructuur heen. Hier was niets netjes, maar alles leefde. Smalle paadjes doken plots het bos in, om even later weer uit te komen op open stukken waar de horizon werd gedomineerd door silhouetten van schachten en terrils.
De snelheid ging omhoog. De paden nodigden uit. We lieten de benen spreken. Wind in het gezicht, stof in de lucht, dat typische gevoel dat je ergens tussen verleden en heden rijdt. Elke kilometer bracht ons dieper Genk in, verder van de stilte van de Teut, dichter bij het ruwe hart van de mijnstreek.
Op een korte stop, leunend op onze sturen, keken we terug langs het traject. Het oude kolenspoor liep als een onzichtbare ader door het landschap, en wij hadden het gevolgd, niet op treinen maar op banden met noppen.
We stapten weer op.
Nog lang niet klaar.
Want als vijf Terrilhackers één ding weten,
dan is het dit: waar ooit kolen reden, ligt altijd avontuur te wachten.
In Zwartberg aangekomen doemde de zwarte kerk voor ons op. vijf mountainbikers, modder op de banden van het vorige deel, hongerig naar avontuur. De kerk lag er stil bij, bijna plechtig, alsof ze een zegen meegaf voordat we het bos in doken. Eén klik in de pedalen en het asfalt maakte plaats voor aarde, wortels en herinneringen.
Het natuurgebied Opglabberzavel voelde anders dan vroeger. Beheerwerken hadden het landschap opengetrokken, oude lijnen vervaagd, nieuwe zichtlijnen gecreëerd. Waar ooit beschutting was, lag nu ruimte. En vooral: los zand. Veel los zand. De banden zochten grip, zwabberden bij elke onoplettendheid. Balans werd belangrijker dan kracht. Wie te bruusk stuurde, werd meteen afgestraft. Af en toe moest er gewacht worden op een achterblijver die zijn stuur niet helemaal meester was in het mulle zand. Maar net daarin zat de fun.
We dansten over het zand, licht op de pedalen, lachend als iemand bijna wegslipte maar zich op het nippertje herpakte. De zon stond laag en zette het zand in vuur en vlam. Elke bocht voelde als een gok, elke rechte strook als een kans om snelheid te maken voor de volgende uitdaging.
En toen gebeurde het.
Na een korte afdaling, half verstopt achter jonge berken en omgewoelde grond, lag hij daar ineens weer: onze geliefde track. Maandenlang niet gereden, bijna vergeten. De lijn zat nog in het lijf voordat het hoofd het doorhad. Eén voor één doken we erin, als oude vrienden die elkaar zonder woorden terugvinden. De flow was er nog. Snelle bochten, kleine compressies, een ritme dat vanzelf kwam. Er werd gejuicht, geroepen, zelfs even gestopt om te lachen. Dit was waarom we hier waren.
De track spuugde ons uit richting open terrein en in de verte tekende zich de mijnterril van Waterschei af. Groot, donker, uitnodigend. Normaal was dit het moment: tanden op elkaar, klimmen tot de longen branden, boven genieten van het uitzicht. Maar vandaag niet.
Vandaag lonkte iets anders.
Net voor de voet van de terril sloegen we af. Smalle paadjes, speels en onverwacht. Korte punchy klimmetjes, snelle afdalingen tussen struiken en bomen, drops die pas zichtbaar werden als je er al overheen ging. Het was een aaneenschakeling van verrassingen. Geen lange inspanning, maar pure fun. Het soort trails waar je grijns vanzelf breder wordt.
We vergaten de tijd. Vergaten zelfs even de terril. Tot we stilhielden, ergens in het groen, hijgend maar voldaan. De zon deed deugd, het zand kleefde aan benen en kuiten, en niemand had spijt dat we niet naar boven waren gegaan.
Vijf mountainbikers.
Een veranderd landschap.
Een teruggevonden track.
En de zekerheid dat er soms meer plezier schuilt in wat je níét plant.
Even later rolden de vijf Hackers het bos in naast het gocartcircuit van Horensdam, waar de geur van benzine nog in de lucht hing en het gegil van banden langzaam wegstierf. Zodra de bomen hen opslokten, veranderde het geluid. Geen motoren meer, alleen het knarsen van grind onder de banden en het zachte fluiten van de wind tussen de stammen. De geur van verbrande benzine bleef ons echter vergezellen.
De singletracks lagen er snel en speels bij. Smalle linten aarde die zich door het bos wrongen, soms glad van de nachtelijke regen, soms verraderlijk droog en los. De groep reed strak achter elkaar, als één organisme. Elke bocht werd gesneden, elke wortel als een mini-sprong genomen. Hier kende iedereen het ritme, hier voelde het bos als thuis.
Aan de rand van het bos doemde plots de Europalaan op. Auto’s suisden voorbij, onwetend van het avontuur dat zich net naast hen afspeelde. Eén voor één staken de Terrilhackers over, op weg naar het volgende groen. Aan de overkant wachtte de weg richting Kattevennen, breder, ruiger, vol belofte.
Daar hoorden ze het al: gejuich, het doffe klap van landende fietsen.
Aan de nieuwe springschans hadden jongeren zich verzameld rond een reeks spektaculaire jumps. Aarden schansen, steil en hoog, alsof ze uit de grond waren gegroeid. De terrilhackers hielden halt, ademden uit en keken toe. Wat volgde was pure waanzin. Eén jongen knalde aan, trok op het juiste moment aan zijn stuur en schoot metershoog de lucht in. Even leek hij stil te hangen, tegen de blauwe lucht, en toen—een achterwaartse salto. Het publiek hield de adem in. Een perfecte landing. Gejuich barstte los.
Nog één. En nog één. Hoger, verder, gekker.
De terrilhackers wisselden blikken. Respect. Dit was een andere klasse lef. Geen woorden nodig. Ze tikten elkaar aan, stapten weer op en vervolgden hun route, met de echo van het applaus nog in hun oren.
Het pad richting Kattevennen werd technischer. Snelle afdalingen wisselden af met korte, venijnige klimmetjes. De zon brak door en liet stofwolken oplichten achter de banden. De energie van wat ze net hadden gezien werkte aanstekelijk. Bochten werden harder genomen, kleine sprongen groter dan nodig. Lachen galmde door het bos.
Met respect en bewondering voor de jeugd vervolgden wij onze weg naar het volgende doel, de Zendmast. Helmen recht, banden zacht genoeg voor grip maar hard genoeg voor snelheid. De zendmast zelf priemde als een metalen vinger door de mist, alsof hij waarschuwde: hier wordt niet zomaar gefietst.
Het eerste stuk was nog vriendelijk. Een smalle singletrack slingerde het bos in, wortels als kronkelende slangen over het pad. We reden achter elkaar, kettingen zoemend, ademhaling nog rustig. De geur van natte aarde en dennennaalden vulde onze longen. Af en toe brak de zon door het bladerdak en flitste over onze sturen als een startschot voor wat komen ging.
Dan begon het echte werk.
De trail kneep samen tot een lint van modder en bladeren, met links een steile helling en rechts… leegte. Geen tijd om te twijfelen. Voorband omhoog, gewicht naar achteren, laten rollen. De eerste heuvel kwam als een muur op ons af. We klommen zigzaggend omhoog, benen brandend, hartslag in de keel. Boven aangekomen geen pauze—alleen een korte blik, een grijns, en toen: drop.
We doken naar beneden, snelheid bouwde zich op, de wind gierde langs onze oren. En toen, zonder waarschuwing, de kuilen. Enkele meters diep, uitgehapt uit de aarde alsof een reus er met zijn vuist in had geslagen. Eén voor één verdwenen we erin, remmen los, vertrouwen op vering en lef. Onderin voelde het alsof de wereld even stilviel, om ons er vervolgens weer uit te slingeren, terug het daglicht in.
“Woohoo!” galmde het ergens achter me, half vreugde, half ongeloof.
Dieper het bos in werd het technischer. Smalle singletracks kronkelden tussen boomstammen door, zo dicht dat je stuur soms maar centimeters speling had. Takken sloegen tegen schouders en helmen. Een misstap betekende boomknuffelen, of erger. Maar alles klopte: focus, flow, vriendschap. We lazen elkaars lijnen zonder woorden, wisselden van positie, daagden elkaar uit met een korte sprint of een gewaagde inhaalactie.
Halverwege het parcours liet De Zendmast zich weer zien, hoog boven ons, terwijl we over een open stuk heuvelrug vlogen. De wind had vrij spel en probeerde ons van het pad te duwen. Het landschap golfde, oud mijngebied met grillige vormen, verraderlijk mooi. Hier ging het niet om finesse, maar om power. Trappen, blijven trappen, tot de benen schreeuwden en het zweet in je ogen prikte.
De laatste sectie was legendarisch. Een afdaling die begon met een smalle ingang en eindigde in chaos. Worteltapijten, losse stenen, scherpe bochten en nóg diepere kuilen. Dit was waar fouten werden afgestraft. We namen één laatste ademhaling en gingen.
Alles vervaagde tot snelheid en instinct. Ik voelde de fiets onder me dansen, hoorde het gekletter van stenen tegen het frame. Modder spatte omhoog. Iemand gleed weg maar herstelde zich nét op tijd. Gelach, geschreeuw, pure adrenaline.
De zon zakte al lager toen we de terugrit naar Zonhoven inzetten. De tijd drong. Geen ruimte meer voor omwegen, drops of technische speeltjes. Dit was geen jacht meer op adrenaline, maar een race tegen de klok—rustig van buiten, maar met een onzichtbare versnelling in de benen.
We kozen bewust voor onverharde wegen, lange stroken door de natuur. Brede grindpaden, zanderige boswegen, veldwegen waar het gras in twee sporen was platgereden. Geen spektakel, geen verrassingen. En toch voelde het juist goed. De snelheid was constant, het tempo strak. Hoofden laag, schouders ontspannen. Iedereen wist wat te doen.
De bossen werden stiller. Vogels zochten hun slaapplaats, de lucht kleurde goud en zacht oranje. Het stof bleef laag hangen achter onze banden en glansde even in het tegenlicht. We praatten minder. Dit was het soort rit waarin je gedachten de vrije loop krijgen, waarin je het hele avontuur nog eens afspeelt zonder woorden.
Kilometer na kilometer rolden we dichter naar huis. De contouren van Zonhoven kondigden zich aan zonder haast, bijna vriendelijk. Alsof de dag zei: goed zo, jullie hebben genoeg gezien.
Iets later dan voorzien arriveerden we aan Den Dijk waar Andrè ons ongeduldig stond op te wachten. Voeten van de pedalen. Fietsen tegen leuning van de Roosterbeek. Helmen af. De vermoeidheid kwam pas nu echt binnen—die aangename, diepe moeheid die alleen een lange dag in de natuur kan geven.
Op de après werd veel gedeeld. Een glas in de hand, dampende koffie op tafel. Modder nog op de kuiten, stof op de wangen. We lachten om kleine momenten van onderweg, haalden favoriete stukken aan, en zwegen even wanneer woorden overbodig waren.
Buiten werd het stilaan donker.
Binnen was het warm.
Vijf Terrilhackers, veilig thuis in Zonhoven.
Geen spectaculaire paden meer nodig—
dit was nagenieten in zijn puurste vorm.